Naar het Noord van nu
Tuindorpen, een sprong vooruit
NOORD - De Noord-Amsterdamse historicus Dick Reedijk schenkt in deze rubriek aandacht aan hoe Amsterdam-Noord is ontstaan. Maandelijks put hij uit zijn boek ‘Overkant van Het IJ: vechten tegen achterstand’ de nodige informatie voor een interessant verhaal.
Met de komst van de stoommachine in de negentiende eeuw ontstonden er fabrieken in de steden, want nu werd ook serieproductie mogelijk. Er kwam veel werk los en arbeiders van het platteland trokken naar de steden. Slechte behuizing en hoge huren waren het gevolg. Zorgen en dronkenschap bij velen en dit werkte door in de gezondheid en werkkracht van groepen arbeiders. Fabrieksdirecteuren gingen voor huisvesting zorgen en zo ontstonden in Engeland, Duitsland, Frankrijk en Nederland dorpen bij de fabrieken. In ons land bijvoorbeeld het Agnetadorp in Delft bij de Gist- en Spiritusfabriek, Heijplaat bij de Rotterdamse Droogdok Mij en Heveadorp bij de Rubberfabriek bij Arnhem.
In 1901 kwam in ons land de Woningwet tot stand met eisen waar huizen aan moesten voldoen. In 1902 schreef de Engelsman Howard het boek 'Garden cities of tomorrow', waarin wonen, werken en voorzieningen werden beschreven. Het werd een bestseller.
In 1904 ontstond in ons land een Tuinstadbeweging van architecten, ingenieurs en ambtenaren, die de ideeën bespraken. Men zocht naar de voordelen van de stad (o.a. werk, winkels, brede scholing, uitgaan) en van het platteland (o.a. ééngezinwoning, tuin, frisse lucht, ontspanning). Het ging niet meer alleen om wonen, maar het ging ook om de ontwikkeling van de arbeiders en hun gezinnen. Er moesten naast een school, ook een bibliotheek en een verenigingsgebouw komen en kinderen moesten buiten kunnen spelen.
In veel grote steden in Nederland werden door Gemeentebesturen tuindorpen gesticht. In Amsterdam-Noord werden dit Tuindorp Oostzaan (1922), Tuindorp Nieuwendam (1927) en Tuindorp Buiksloot (1930). SDAP wethouder F. Wibaut en ir. A. Keppler van de Gemeentelijke Woningdienst hebben aan het ontwikkelingsproces in Amsterdam leiding gegeven.
Hieronder een foto uit het Historisch Centrum Amsterdam-Noord van het Zonneplein in Tuindorp Oostzaan. Het nieuwe dorp lag ver van de stad, dus moesten er ook voorzieningen komen. Dit werden een overdekte winkelgalerij, een gebouw, het Zonnehuis, met een grote feestzaal en veel ruimtes voor verenigingen en een bibliotheek om de hoek. Het Zonneplein werd het centrum van het dorp, maar er was geen plaats voor een kerk en geen plaats voor een kroeg, want dat paste niet in de beginselen van het socialisme.
De Tuindorpen waren voor de Tweede Wereldoorlog een sprong vooruit in het wonen en in de emancipatie van de arbeiders en hun gezinnen.
Met de komst van de stoommachine in de negentiende eeuw ontstonden er fabrieken in de steden, want nu werd ook serieproductie mogelijk. Er kwam veel werk los en arbeiders van het platteland trokken naar de steden. Slechte behuizing en hoge huren waren het gevolg. Zorgen en dronkenschap bij velen en dit werkte door in de gezondheid en werkkracht van groepen arbeiders. Fabrieksdirecteuren gingen voor huisvesting zorgen en zo ontstonden in Engeland, Duitsland, Frankrijk en Nederland dorpen bij de fabrieken. In ons land bijvoorbeeld het Agnetadorp in Delft bij de Gist- en Spiritusfabriek, Heijplaat bij de Rotterdamse Droogdok Mij en Heveadorp bij de Rubberfabriek bij Arnhem.
In 1901 kwam in ons land de Woningwet tot stand met eisen waar huizen aan moesten voldoen. In 1902 schreef de Engelsman Howard het boek 'Garden cities of tomorrow', waarin wonen, werken en voorzieningen werden beschreven. Het werd een bestseller.
In 1904 ontstond in ons land een Tuinstadbeweging van architecten, ingenieurs en ambtenaren, die de ideeën bespraken. Men zocht naar de voordelen van de stad (o.a. werk, winkels, brede scholing, uitgaan) en van het platteland (o.a. ééngezinwoning, tuin, frisse lucht, ontspanning). Het ging niet meer alleen om wonen, maar het ging ook om de ontwikkeling van de arbeiders en hun gezinnen. Er moesten naast een school, ook een bibliotheek en een verenigingsgebouw komen en kinderen moesten buiten kunnen spelen.
In veel grote steden in Nederland werden door Gemeentebesturen tuindorpen gesticht. In Amsterdam-Noord werden dit Tuindorp Oostzaan (1922), Tuindorp Nieuwendam (1927) en Tuindorp Buiksloot (1930). SDAP wethouder F. Wibaut en ir. A. Keppler van de Gemeentelijke Woningdienst hebben aan het ontwikkelingsproces in Amsterdam leiding gegeven.
Hieronder een foto uit het Historisch Centrum Amsterdam-Noord van het Zonneplein in Tuindorp Oostzaan. Het nieuwe dorp lag ver van de stad, dus moesten er ook voorzieningen komen. Dit werden een overdekte winkelgalerij, een gebouw, het Zonnehuis, met een grote feestzaal en veel ruimtes voor verenigingen en een bibliotheek om de hoek. Het Zonneplein werd het centrum van het dorp, maar er was geen plaats voor een kerk en geen plaats voor een kroeg, want dat paste niet in de beginselen van het socialisme.
De Tuindorpen waren voor de Tweede Wereldoorlog een sprong vooruit in het wonen en in de emancipatie van de arbeiders en hun gezinnen.
Artikel geplaatst op: 03 September 2010 - 15:54
Er zijn nog geen reacties